Gerechtshof ’s-Hertogenbosch oordeelt: het planten van een laurierhaag op gemeentegrond is geen ondubbelzinnig bezit

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch oordeelt: het planten van een laurierhaag op gemeentegrond is geen ondubbelzinnig bezit

Uitspraak Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 24 maart 2020
ECLI:NL:GHSHE:2020:1059

Inleiding

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch deed in 2015 en 2016 al een aantal uitspraken waarin werd geoordeeld dat er strikte eisen gelden als het gaat om het in bezit nemen van publieke grond. Dat eigenaren van aangrenzende privé-percelen gebruik maken van deze publieke stroken grond – door de aanwezige beplanting te vervangen door andere beplanting en door deze te onderhouden ter verhoging van het genot van hun privé-percelen – is niet ongebruikelijk en wordt door gemeenten, provincies en waterschappen vaak gedoogd. Daaruit kan niet zomaar worden afgeleid dat er sprake is van het ondubbelzinnig in bezit nemen en het voor zichzelf houden van de publieke grond. In de afgelopen jaren is de door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ingezette lijn in de jurisprudentie herhaald en zijn de eisen voor het aannemen van bezit zelfs nog verder aangescherpt. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch lijkt er in het arrest van 24 maart 2020 nog een schep bovenop te doen.

Feiten en oordeel rechtbank

De huidige bewoners van de woning aan de X-straat hebben de woning in 2001 gekocht. De achtertuin grenst aan een perceel van de gemeente Etten-Leur. Dit perceel van de gemeente vormt de berm langs de openbare weg. Op de strook gemeentegrond bevindt zich een laurierhaag die is geplant door rechtsvoorgangers van de huidige bewoners. De buren aan weerszijden hebben begin 2000 met de gemeente een gebruiksovereenkomst gesloten ten aanzien van de grond waar de laurierhaag op staat. De gemeente heeft de bewoners die het in deze zaak betreft pas in 2016 aangeschreven over het gebruik van de strook gemeentegrond. De bewoners zijn van mening dat zij door verjaring het eigendom van de grond hebben verkregen. De rechtbank heeft de bewoners bij vonnis van 11 juli 2019 in het gelijk gesteld.

De rechtbank is uit gegaan van de volgende feiten:

  • De oorspronkelijke beplanting op de strook gemeentegrond is al vóór 1987 door de bewoners van de drie aangrenzende adressen gerooid
  • De buren hebben vervolgens in gezamenlijk overleg besloten de strook grond bij hun tuin te trekken en over de volledige breedte een laurierhaag te planten, met de intentie om hun tuin af te schermen van de openbare weg
  • Zij hebben de strook grond in bezit genomen en onderdeel gemaakt van hun tuin en de laurierhaag onderhouden
  • Op het moment dat de huidige bewoners de woning in 2001 kochten werd de achtertuin afgesloten door een manshoge, ondoordringbare en ondoorzichtige laurierhaag.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de huidige bewoners zich zodanig hebben gedragen dat de gemeente daaruit niet anders kon afleiden dan dat zij pretendeerden eigenaar te zijn van de strook gemeentegrond en dat de gemeente er op bedacht moest zijn dat zij haar eigendom zou gaan verliezen.

De gemeente heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Oordeel gerechtshof

Naar het oordeel zijn de door de bewoners gestelde feiten en gedragingen volgens de maatstaf van de verkeersopvatting onvoldoende om te kunnen concluderen dat het bezit van de gemeente op enig moment teniet zou zijn gegaan.

In rechtsoverweging 6.22 zet het hof duidelijk uiteen dat de door de bewoners en hun rechtsvoorgangers gepleegde rechtsuitoefeningen niet voldoende zijn om van inbezitneming te kunnen spreken.

“Uit het vervangen van de bestaande (schijnbaar zieltogende) beplanting in een gemeentelijke groenstrook door andere beplanting waarvoor een voorkeur bestond en door die beplanting te onderhouden, kan naar het oordeel van het hof niet snel een intentie tot het houden voor zichzelf door een niet rechthebbende worden afgeleid. Dat eigenaren, huurders en/of andere gebruikers van belendende privé-percelen dergelijke stroken grond voor eigen nut inzetten en/of deze onderhouden en beplanten ter verhoging van het genot van hun privé-percelen is niet ongebruikelijk en pleegt door gemeentes vaak te worden gedoogd. Enige ondubbelzinnige blijk van pretentie van de niet-rechthebbende om de strook grond voor zichzelf te houden en zich deze toe te eigenen, kan daarin nog niet gelegen worden geacht. Dat de strook grond door de daarop aangebrachte beplanting niet meer zomaar voor een ieder te betreden is en dat de beplanting in de loop der tijd is uitgegroeid tot een manshoge, ondoordringbare en ondoorzichtige haag, maakt dit niet anders. Dat zou ook het geval zijn als de Gemeente zelf daar de haag had geplant. [geintimeerden c.s.] hebben geen andere uiterlijke feiten gesteld die het hof kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is geweest van bezit van de strook grond. Het gegeven dat zij bij de aankoop van het perceel op 29 augustus 2001 op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van de laurierhaag hebben aangenomen dat deze bij hun tuin behoorde, kan niet tot een ander oordeel leiden. Het enkele feit dat voor de kopers een afscheiding of groenstrook bij de eigen tuin lijkt te horen, hetgeen niet zelden voorkomt, legt in dit verband geen gewicht in de schaal omdat het er bij de vraag of er sprake is van inbezitneming om gaat hoe de Gemeente als eigenaar van de grond de feitelijke situatie heeft moeten begrijpen. Dat de Gemeente rond het jaar 2000 met verschillende buren gebruiksovereenkomsten heeft gesloten, duidt er hooguit op dat de Gemeente toen al doorhad dat er een onduidelijke situatie rond de groenstrook was ontstaan en dat zij daarover toen duidelijkheid heeft willen scheppen. Maar ook het laten ontstaan of voortduren van een onduidelijke situatie is te mager om aan te nemen dat er sprake is van inbezitneming. Daarvoor is, zoals hiervoor is overwogen, nodig dat er sprake is van een niet dubbelzinnige situatie.

Conclusie

Het oordeel van het hof is klip en klaar. Het hof stelt het plaatsen van laurierstruiken – die uitgroeien tot een manshoge en ondoordringbare haag – op één lijn met het aanbrengen en onderhouden van losse beplanting. Dit komt in de praktijk veel voor en wordt vaak door de gemeente gedoogd, zeker als de inrichting van de grond past bij de door de gemeente aan de grond gegeven bestemming. Dat deze losse beplanting uitgroeit tot een manshoge en ondoordringbare erfafscheiding die bij de tuin lijkt te horen maakt het oordeel niet anders. Dit zou immers ook zo zijn geweest als de gemeente zelf de laurierhaag zou hebben geplant.

Het hof is van oordeel dat in deze situatie sprake is van een ‘dubbelzinnige’ situatie. De dubbelzinnigheid zal er dan in gelegen zijn dat feitelijke situatie er hetzelfde zou hebben uitgezien als de gemeente de laurierstuiken jaren geleden zou hebben geplant. Volgens het hof was er gelet op de feitelijke situatie voor de gemeente geen reden om in te grijpen. Dat de gemeente met beide buren in 2000 al een gebruiksovereenkomst heeft gesloten en de situatie bij deze betreffende bewoners heeft laten voortduren maakt dit volgens het hof niet anders.

Hoewel het hof in dit arrest de criteria voor het ‘in bezit nemen van gemeentegrond’ verder lijkt aan te scherpen, lijkt het in deze situatie te gaan om een smalle strook grond die over de volle breedte is beplant met een laurierhaag en dus niet om een groter stuk grond dat door de bewoners in zijn geheel bij de tuin is getrokken en vervolgens is omheind met een ondoordringbare erfafscheiding. Ik vermoed dat het oordeel in dat geval wellicht anders zou zijn geweest. Van een ‘dubbelzinnige situatie’, zoals het hof in dit arrest bedoelt, is dan naar mijn mening geen sprake.

Mr. Deirdre Swiers

Klik hier voor alle jurisprudentie met betrekking tot verjaring van gemeentegrond en het vorderen van schadevergoeding. Voor meer informatie over de ondersteuning die wij u kunnen bieden op dit vlak klikt u hier. Mail naar info@metafoorvastgoed.nl of bel 088 – 00 66 100 voor meer informatie.