Jurisprudentie verjaring

Jurisprudentie verjaring

Arrest van de rechtbank Limburg van 14 november 2018

ECLI:NL:RBLIM:2018:10698

In deze uitspraak wordt, nadat partijen reeds een procedure hebben gevoerd over de vraag of de grond door verjaring is overgaan, een losse procedure gevoerd waarin de vordering tot schadevergoeding conform de uitspraak van de Hoge Raad wordt ingesteld.

Uit deze uitspraak kunnen we het volgende afleiden:

  • Er is sprake van onrechtmatig handelen indien de verkrijger niet te goeder trouw is geweest. Daarvoor is volgens de rechtbank nodig dat wordt aangetoond dat de verkrijger wist dat de betreffende strook grond aan een ander toebehoorde. De rechtbank is van oordeel dat hiervan sprake is omdat de grens meerdere malen in het bijzijn van de verkrijger is aanwezen, de oorspronkelijke door het kadaster in de grond geplaatste ijzeren paaltjes nog in de grond aanwezig zijn én aan de akte van levering een tekening is gehecht, die door de verkrijger voor akkoord is ondertekend en waarop het verloop van de kadastrale grens duidelijk te zien is.
  • In r.o. 4.10  zet de rechtbank uiteen waar de onrechtmatige gedraging nauwkeurig uit dient te bestaan. Dit moet volgens de rechtbank gezocht worden in “het in bezit nemen van het goed én ook houden (het voortduren van dat bezit) waarbij het moment van verkrijgende verjaring als schadeveroorzakende gebeurtenis moet worden gezien.

Je zou dus kunnen stellen dat volgens de rechtbank Limburg de onrechtmatige gedraging dus ook kan bestaan uit het in bezit houden van de grond en handelt dus niet enkel de oorspronkelijk in bezit nemer onrechtmatig.

  • Over de schade zegt de rechtbank in r.o. 4.16  nog het volgende. “Gelet hierop moet het plaatsen van de haag op de grond van een ander worden aangemerkt als onrechtmatig, met de jaren later intredende bevrijdende verjaring als schadeveroorzakende gebeurtenis. Dat [eiser] , zoals [gedaagde] bij dupliek nog heeft aangevoerd, geen schade heeft geleden omdat hij op zijn beurt perceel [kadasternummer 1] heeft gekocht van zijn rechtsvoorganger in de staat waarin het zich feitelijk bevond – dat wil zeggen: overeenkomstig de visuele grenzen en derhalve zonder de strook grond – is niet juist. Ondanks dat was [eiser] van die strook grond eigenaar en had hij, zoals ook in het betoog van [eiser] besloten ligt, de grond voor ommekomst van de verjaring jegens [gedaagde] als zijn eigendom kunnen opeisen, waarbij in de rede ligt dat hij dat zou hebben gedaan als hij ervan had geweten. [eiser] lijdt juist schade nu hem dat instrument niet meer ten dienste staat.”

Dat degene die zich op de schadevergoeding beroept, het perceel van zijn rechtsvoorganger in de huidige situatie (met de onjuiste feitelijke grens) heeft gekocht, brengt dus nog niet mee dat er geen schade is. Door de overdracht is immers het juridische eigendom van het volledige perceel overgegaan en daarmee ook het recht om strookje dat door de buren in bezit genomen is, op te vorderen. Door de voltooiing van de verjaringstermijn kan de eigenaar de strook grond  niet meer opvorderen en lijdt hij schade.

  • Tot slot onderbouwt de rechtbank in r.o. 4.17 waarom juist de schadevergoeding in natura, bij wijze van teruglevering de juiste vergoeding is in dit soort gevallen, waarbij de degene die de onrechtmatige daad heeft gepleegd, de strook grond nog steeds in bezit heeft. Onder de gegeven omstandigheden acht de rechtbank het honoreren van schadevergoeding in de vorm van teruglevering van de grond aan [eiser] passend. Dat daarmee méér schade ongedaan wordt gemaakt dan door de werking van de verjaring is veroorzaakt, zoals [gedaagde] nog heeft betoogd, berust op een misvatting. Revindicatie zou juist hebben teweeggebracht dat bezit (genot) en eigendom weer in één hand waren gekomen en precies dat resultaat wordt nu – langs deze alternatieve weg – ook bewerkstelligd. De vordering ziet immers op teruggave van de volle eigendom. Eigendom is het meest omvattende recht dat een persoon op een zaak kan hebben en retro-overdracht impliceert dan ook tevens herstel in het bezit en genot van de zaak.”

“Daarbij geldt dat een schadevergoeding in natura, strekkende tot terug-levering van het goed, alleen voor toewijzing in aanmerking komt indien de laedens het goed nog steeds in eigendom heeft.”  (laatste zin r.o. 4.10)

Uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 november 2018

ECLI:NL:GHARL:2018:9846

Deze uitspraak is interessant voor casussen waarbij grond wordt gebruikt voor landbouw. Uit de uitspraak van het hof blijkt namelijk dat:

Het enkele feit dat de eiser gedurende lange tijd de grond heeft bewerkt en gebruikt onvoldoende is om (ondubbelzinnige) bezit aan te nemen. Deze handelingen als zodanig hoeven niet te duiden op een bezitspretentie als eigenaar. Het bewerken van de grond betreft handelingen die net zo goed door een pachter, bruiklener, enz. kunnen worden verricht en hoeven dan ook niet te duiden op het gebruik van de grond in de hoedanigheid van eigenaar. Uit het enkel bewerken door van de grond hoefde het Waterschap naar het oordeel van het hof dan ook niet op te maken dat de eiser pretendeerde eigenaar te zijn. Dat hij meende eigenaar te zijn en dat hij de interne wil had om als eigenaar op te treden, is niet van belang. Het gaat om de uiterlijke omstandigheden waaruit naar verkeersopvatting de wil kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden. Het gebruik van de strook grond als landbouwgrond is naar het oordeel van het hof slechts een op zichzelf staande machtsuitoefening, die onvoldoende is om aan te nemen dat het bezit van het Waterschap teniet is gegaan. Dat de eiser het riet en de muskusratten op de strook grond bestreed, dat een jachtopziener meende dat het jachtgebied van eiser doorliep tot de insteek en dat het Waterschap de strook grond pas na overleg met eiser gebruikte voor onderhoud, maakt het vorenstaande niet anders. Ook uit deze feiten met betrekking tot de strook grond kan – noch op zichzelf beschouwd, noch in combinatie met het gebruik als landbouwgrond – naar verkeersopvatting niet worden afgeleid dat eiser pretendeerde rechthebbende te zijn, nu ook dit handelingen zijn die door een pachter, bruiklener, enz. uitgevoerd kunnen worden.

Daarnaast oordeelt het hof, net als de kantonrechter, dat het ploegen, eggen, zaaien en oogsten van de strook grond niet als een voortdurende onrechtmatige toestand kan worden aangemerkt in de zin van artikel 3:314 lid 1 BW

Een onrechtmatige toestand in de zin van artikel 3:314 lid 1 BW houdt in dat er sprake moet zijn van een voortdurende inbreuk. Incidentele inbreuken vallen er niet onder, ook niet als ze in serie plaatsvinden. Bij terugkerende verschijnselen is artikel 3:314 lid 1 BW niet van toepassing. Vast staat dat eiser de strook grond niet continue heeft bewerkt, maar ook periodes braak heeft laten liggen. In het onderhavige geval is derhalve geen sprake van een continue onrechtmatige toestand maar veeleer van een situatie waarbij de inbreuk met tussenpozen plaatsvindt.

Rechtbank Noord-Holland 29 augustus 2018 –> bezitsdaden economisch eigenaar, voltooiing verjaring vóór overdracht aan eiser onrechtmatige daad en verhouding erfdienstbaarheid vs. Eigendomsrecht

ECLI:NL:RBNHO:2018:7555

In deze zaak komen de volgende aspecten aan bod: Economisch eigenaar kan bezitter zijn. Vordering tot teruglevering strook grond wegens onrechtmatig handelen (gebaseerd op het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:309)) slaagt niet omdat eiseres niet degene is die schade heeft geleden en bovendien is vordering tot vergoeding schade verjaard.

Bezitsdaden door economisch eigenaar

” Bino betwist dat [gedaagde] bezitter van de strook is geweest en verwijst ter onderbouwing van die stelling naar het arrest van 21 juni 2000 (ECLI:NL:HR:2000:AA6254) waarin de Hoge Raad heeft overwogen dat bij een overdracht van de eigendom van een goed in economische zin, maar niet in juridische zin, een rechtsverhouding ontstaat krachtens welke de verkrijger dat goed houdt voor de juridische eigenaar, maar niet voor zichzelf, zodat hij niet kan worden aangemerkt als bezitter in de zin van artikel 3:107, lid 1 BW. Aangezien [gedaagde] tot 2013 economisch eigenaar was, was hij tot dat moment geen bezitter van het perceel en kan hij ook niet bezitter van de strook zijn geweest, aldus Bino. Dit verweer faalt. In het arrest van 9 september 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BQ5989) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een dergelijke opvatting in haar algemeenheid niet kan worden aanvaard, omdat zich gevallen kunnen voordoen dat een koper krachtens de rechtsverhouding met een verkoper jegens deze gemachtigd is zich, vooruitlopend op de levering van het verkochte, de feitelijke macht over het verkochte te verschaffen en deze macht op een zodanige wijze uit te oefenen dat naar de in het verkeer geldende opvattingen de koper moet worden beschouwd als bezitter van het verkochte. Een dergelijk geval doet zich naar het oordeel van de rechtbank ook in deze zaak voor.”

Schadevergoeding na verjaring, wie heeft de schade geleden?

“Bino baseert die vordering op het arrest van 24 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:309) waarin de Hoge Raad heeft overwogen dat degene die zijn eigendom door de werking van art. 3:105 BW heeft verloren een vordering uit onrechtmatige daad kan instellen tegen degene die het eigendom heeft verkregen en bij wijze van schadevergoeding kan vorderen de wederrechtelijk in bezit genomen zaak weer aan hem in eigendom over te dragen. Deze vordering tot teruglevering zal worden afgewezen. Voor zover [gedaagde] door inbezitneming van de strook al onrechtmatig heeft gehandeld, is Bino niet degene die door die onrechtmatige daad schade heeft geleden, maar de Rabobank. Op het moment van verstrijken van de verjaringstermijn was de Rabobank immers nog eigenaar van de strook en niet Bino. Daar komt bij dat [gedaagde] terecht betoogt dat de vordering tot schadevergoeding in natura is verjaard. Artikel 3:310 lid 1 BW bepaalt immers dat een vordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaar vanaf het moment dat de benadeelde bekend is met zijn eigendomsverlies en dat de verjaring in elk geval is voltooid twintig jaar na de voltooiing van de verjaring van art. 3:314 lid 2 BW, zijnde de gebeurtenis waardoor de schade – het verlies van de eigendom – is veroorzaakt. Die termijn van 20 jaar is in 2015 al verstreken.”

Erfdienstbaarheid vs. Eigendomsrecht

“De rechtbank stelt voorop dat een erfdienstbaarheid naar haar aard inbreuk maakt op het eigendomsrecht een ander. Voor bevel tot het meewerken aan het vestigen van een erfdienstbaarheid moet dan ook een gegronde reden bestaan en die ontbreekt hier. Bino legt aan haar vordering niet meer ten grondslag dat het onevenredig belastend voor haar is om de bestaande praktijk te wijzigen en een nieuwe nooddeur op een nieuwe locatie aan te brengen. Dat belang weegt niet op tegen het recht van [gedaagde] om ongestoord gebruik te kunnen maken van zijn eigendomsrecht. Uit de stelling van Bino blijkt dat zij alternatieve locaties heeft voor een nooddeur. Het enkele feit dat verplaatsing van de deur aanzienlijke kosten met zich meebrengt is onvoldoende om een inbreuk op het eigendomsrecht van [gedaagde] te rechtvaardigen, te meer nu Bino er zelf voor heeft gekozen deze deur op deze locatie zonder overleg met [gedaagde] in zijn vakantie te plaatsen. De vordering van Bino zal dan ook bij gebrek aan een deugdelijke grondslag worden afgewezen.”

Rechtbank Rotterdam 22 augustus 2018 –> strenge eisen aan machtsuitoefeningen door degene die zich op verjaring beroept

ECLI:NL:RBROT:2018:7672

In deze zaak laat de rechter zien dat er strenge eisen worden gesteld aan de machtsuitoefeningen die nodig zijn om van inbezitneming te kunnen spreken. Geen sprake van een machtsuitoefening van de één die zodanig is dat de machtsuitoefening van de ander teniet wordt gedaan.

“4.8.
Nu derhalve niet vaststaat dat de in punt 4.4. hierboven genoemde onderdelen van de erfafscheiding zijn geplaatst door [eisers] of haar rechtsvoorgangers, kunnen deze niet gelden als een machtsuitoefening van de rechtsvoorgangers van [eisers] als bedoeld in art. 3:113 lid 1 BW. De aanwezigheid van de fysieke erfafscheidingen rechtvaardigen derhalve niet het oordeel dat de rechtsvoorgangers van [eisers] de strook grond of onderdelen daarvan in bezit hebben genomen.

4.9.
De overige machtsuitoefeningen die [eisers] heeft gesteld zijn:

(i) de aanleg en het onderhoud van de moestuin aan de zijde van perceel A langs het muurtje van basalt blokken en het bakstenen randje;

(ii) de strook grond tussen de stenen schuur op perceel B en de voormalige houten schuur op perceel A is door de rechtsvoorgangers van [eisers] afgetimmerd; en

(iii) de aanleg en het onderhoud van de druivenplanten die waren geplaatst langs de achtermuur van de voormalige schuren die tot 2006 op perceel B hebben gestaan (waar nu (5) de houten schutting en (6) het rasterhek staan).

4.10.
Ten aanzien van de aanleg en het onderhoud van (i) de moestuin en (iii) de druivenplanten geldt dat het enkele aanbrengen van beplanting en het onderhouden van de strook grond evenmin het oordeel rechtvaardigt dat sprake is van bezit met eigendomspretentie. Enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen van de één zijn immers niet voldoende om een einde te maken aan het bezit van de ander (art. 3:113 lid 2 BW).

4.11.
Met betrekking tot (ii) heeft [eisers] toegelicht dat er ter hoogte van (4) de achterwand van de stenen schuur op perceel B ten tijde van de eigendomsoverdracht van perceel A aan [eisers] een houten schuur stond. De strook grond tussen de stenen schuur op perceel B en de houten schuur op perceel A was geheel door houten betimmering afgesloten en derhalve bij geen van beide partijen of hun rechtsvoorgangers in gebruik geweest. Ook hieruit kan derhalve niet worden afgeleid dat [eisers] of haar rechtsvoorgangers zich over deze strook de feitelijke macht hebben verschaft. “

Gerechtshof Arnhem Leeuwarden 31 juli 2018 –> verjaring te goeder trouw

ECLI:NL:GHARL:2018:6958

In deze zaak gaat het om de verkrijgende verjaring van een strook grond. De schutting is door A geplaatst op het eigen kadastrale perceel, maar niet op de kadastrale grens. Buurman B (negen jaar eigenaar) stelt door verjaring eigenaar te zijn geworden van de strook grond tussen de schutting en de kadastrale grens. Voor een geslaagd beroep op verjaring is vereist: onafgebroken bezit gedurende tien jaren door bezitter te goeder trouw. Van onafgebroken bezit gedurende tien jaren van Buurman B en zijn of haar rechtsvoorganger samen is geen sprake omdat niet blijkt van pretentie van eigenaarschap door rechtsvoorganger. Enkele machtsuitoefeningen zijn voor het aannemen daarvan onvoldoende. Ook is geen sprake van goede trouw nu niet blijkt dat rechtsvoorganger eigendom pretendeerde, mede nu niet de rechtsvoorganger van B, maar A de schutting had geplaatst en niet voor de hand ligt dat A afstand wilde doen van de strook grond tussen schutting en kadastrale grens.

Rechtbank Limburg 25 juli 2018 –> juridisch kader verjaring en familieverhoudingen

ECLI:NL:RBLIM:2018:7060

In deze zaak speelt een geschil tussen verschillende familieleden en erfgenamen over het bezit van een weiland. In rechtsoverweging 4.2 zet de rechtbank het juridisch kader dat speelt bij verjaring duidelijk uiteen, waarbij ook het oude recht deels speelt.  Daarnaast blijkt uit deze uitspraak dat het bestaan van familieverhoudingen tussen partijen met zich mee kan brengen dat het gebruik van de grond door een bepaald familielid enkel wordt gezien als een persoonlijk gebruikrecht, waardoor van in bezitneming geen sprake is:

“Daar komt nog bij dat [eiser] dient te stellen en zonodig te bewijzen dat zijn gebruik van deze percelen zodanig was dat de eigenaarspretenties die hij stelt te hebben voor iedereen kenbaar waren en dat dit gebruik het bezit van de (stief)ouders van partijen beëindigde. Het besluit van [eiser] tot gebruik bij uitsluiting van ieder ander creëert immers geen bezit. Daarvoor is vereist dat voor de (stief)ouders duidelijk moet zijn geweest dat [eiser] de intentie had de grond als bezitter (te kwader trouw) te gebruiken en daarvan op termijn door bevrijdende verjaring eigenaar te worden. Gelet op de familieverhoudingen (stief)ouder(s) en (stief)kind, in een gezin waarin de verhoudingen toen nog hartelijk waren (zie rov 4.4.) en men gewoon was samen te werken, heeft [eiser] op dit punt te weinig gesteld om tot zodanig bezit te kunnen concluderen. De stelling van gedaagden dat [eiser] de grond slechts in gebruik had op basis van een persoonlijk gebruiksrecht is in deze familieverhoudingen immers voor de hand liggend.

Rechtbank Oost Brabant 18 juli 2018 –> schadevergoeding bij verjaring?

Op 18 juli jongstleden deed de rechtbank Oost Brabant een uitspraak over schadevergoeding bij verjaring. De uitspraak is gepubliceerd op 24 juli 2018 en vormt wederom een nadere invulling van de mogelijkheid om schadevergoeding te vorderen na verlies van eigendom van grond door verjaring. Uit deze uitspraak kan worden afgeleid dat niet iedere verkrijging door bevrijdende verjaring zonder meer een onrechtmatige daad oplevert.

Of er sprake is van een onrechtmatige daad is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. In deze kwestie achtte de rechtbank van belang dat de persoon die de grond door verkrijgende verjaring verkreeg, niet degene is die de grond in eerste instantie in bezit heeft genomen. De verkrijger heeft het bezit van de grond slechts overgedragen gekregen van zijn rechtsvoorganger bij de aankoop van het aangrenzende woonperceel.

Daarnaast merkt de rechtbank op dat hoewel de verkrijger niet te goeder trouw was, (omdat hij door raadpleging van de registers had kunnen weten dat zijn tuin in werkelijkheid vele male groter was dan hij volgens de akte in eigendom heeft verkregen), dit niet met zich mee brengt dat er sprake is van daadwerkelijk wetenschap van het feit dat de betreffende grond aan een ander toebehoorde. Volgens de rechtbank is in deze zaak dan ook geen sprake van een persoon die een zaak in bezit neemt en houdt, wetende dat een ander daarvan eigenaar is, zoals de Hoge Raad heeft uiteengezet in zijn arrest van 24 februari 2017. De verkrijger heeft welliswaar een onrechtmatige toestand in stand gehouden door de grond van de gemeente in bezit te houden, maar dit levert volgens de rechtbank op zichzelf niet een onrechtmatige daad op, waardoor van eventuele schadevergoeding na verkrijging van de grond door verjaring geen sprake is.

De vraag die onbeantwoord blijft, is of het oordeel van de rechtbank anders zou zijn geweest indien de huidige bezitter, die een onrechtmatige situatie in stand houdt, wel onrechtmatig handelt, wanneer was komen vast te staan dat hij daadwerkelijk wetenschap had van het feit dat de gemeente eigenaar is van de grond. Uit de uitspraak van de rechtbank Noord Holland van 30 mei jongstleden blijkt dat het aan de gemeente is om aan te tonen dat er sprake is van ‘kwade trouw’ dan wel ‘daadwerkelijk wetenschap’ aan de zijde van de verkrijger.

Raad van State 18 juli 2018 –> publiekrechtelijke handhaving tegen gebruik gemeentegrond in strijd met bestemmingsplan

ECLI:NL:RVS:2018:2411

In deze zaak heeft het college van B&W bij een besluit gebruikers gelast het gebruik van de gemeentegrond ongedaan te maken en ongedaan te houden, te weten de erfafscheiding terug te plaatsen op de erfgrens en op de erfgrens te houden. De gebruikers doen als verweer een beroep op verjaring.

De Raad van State oordeelt dat de rechtbank in de gestelde verjaring terecht geen grond heeft gezien voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot handhavend optreden tegen het  gebruik van het perceel. Daarbij is van belang dat voor de beantwoording van de vraag of het college in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot handhavend optreden niet van belang is of de eigendom is overgegaan wegens de gestelde verjaring, nu het college ook tegen gebruik in afwijking van het bestemmingsplan zou kunnen optreden als het perceel waarop dat gebruik plaatsvindt eigendom zou zijn geworden van de gebruikers. Bovendien heeft de rechtbank terecht overwogen dat gelet op de door het college aan het besluit ten grondslag gelegde foto’s vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat het gebruik van het perceel reeds geruime tijd voortduurt en het college om die reden van handhavend optreden had behoren af te zien. De enkele omstandigheid dat de gebruikers het hek heeft geplaatst ter voorkoming van overlast van jongeren maakt niet dat het college daartegen niet in redelijkheid handhavend kan optreden.

Bij het oneigenlijk gebruik van gemeentegrond kan de gemeente via de publiekrechtelijke weg optreden tegen het gebruik van de grond ‘in strijd met het bestemmingsplan’. Zij voorkomt hiermee echter niet dat de grond door verjaring overgaat. Publiekrechtelijke handhaving leidt derhalve niet tot eenzelfde resultaat als ontruiming via de privaatrechtelijke weg. Het feitelijk ongedaan maken van een overtreding, betekent niet zonder meer dat de gemeente haar eigendomsrecht weer ten volle kan benutten. Daarnaast is het de vraag of publiekrechtelijk handhaven tegen een situatie die al langere tijd bestaat wel te rechtvaardigen is.

Rechtbank Midden Nederland 18 juli 2018 –> ruilverkaveling en verjaring

ECLI:NL:RBMNE:2018:3319

In deze zaak heeft de gemeente het beroep op verjaring van een aantal bewoners afgewezen, omdat de betreffende stroken grond in het verleden betrokken zijn geweest bij een ruilverkaveling. De bewoners voeren hiertegen aan dat zij niet op de hoogte waren van de ruilverkaveling zodat zij zich hiertegen niet hebben kunnen verzetten en voorts dat het onredelijk is dat de gemeente in dezelfde straat in een aantal dossier verjaring wel heeft toegekend, omdat zij toen nog niet ontdekt had dat de ruilverkaveling speelde. De gedaagden stellen dat de gemeente in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld.

De rechtbank oordeelt als volgt:

Gevolgen ruilverkaveling voor verjaring

Op grond van artikel 208 lid 2 Liw (de voorloper van artikel 82 lid 2 Wilg) geldt de akte van toedeling als titel voor de daarin omschreven rechten en worden de daarin omschreven onroerende zaken en beperkte rechten door de inschrijving van de akte in de openbare registers verkregen. Door de ruilverkaveling is dan ook een nieuw recht ontstaan, een originaire eigendomsverkrijging, waarvan het bestaan en de inhoud onafhankelijk is van het bestaan en de inhoud van eerdere rechten. Zowel een al voltooide verjaring als een voor de ruilverkaveling aangevangen termijn van verjaring is voor het door de ruilverkaveling ontstane eigendomsrecht dus zonder betekenis. Dat geldt ook als in de feitelijke situatie van een perceel niets verandert.”

Na de verkrijging van de gemeente als gevolg van de ruilverkaveling, gaat een nieuwe termijn van 20 jaar lopen.

Kenbaarheid ruilverkaveling

De rechtbank stelt voorop dat uit de akte van toedeling blijkt dat het perceel als openbare weg aan de Gemeente in eigendom is toegewezen op grond van het besluit van Gedeputeerde Staten van Utrecht van 3 oktober 2006 (het besluit vaststelling begrenzingenplan). De wetgever heeft tegen dat besluit bestuursrechtelijk beroep voor particuliere eigenaren uitgesloten. In die zin hebben de gedaagden gelijk dat zij zich niet tegen het eventueel verlies van eigendom als gevolg van dit onderdeel van de ruilverkaveling hebben kunnen verzetten. Dit is echter een door de wet aan het begrenzingenplan verbonden gevolg. In zoverre is de eventuele onbekendheid van gedaagden met de ruilverkaveling niet relevant.

“Dit neemt niet weg dat de ruilverkaveling op de in de Liw beschreven wijze moet zijn bekend gemaakt en dat belanghebbenden de gelegenheid moeten hebben hun door die wet geboden mogelijkheden te benutten. Dat hieraan in het geval van de Herinrichting […] niet is voldaan, is gesteld noch gebleken. Uit de Liw volgt geen verplichting voor Gemeente Stichtse Vecht om hen over de ruilverkaveling aan te schrijven.

gelijkheidsbeginsel

“In dat geval heeft Gemeente Stichtse Vecht namelijk  ten onrechte haar eigendom van de strook bermgrond bij de [straatnaam 2] prijsgegeven door in dat geval het beroep op verjaring wel te honoreren. Vanwege de titelzuiverende werking van de ruilverkaveling kon dan immers ook ten aanzien van die strook grond geen succesvol beroep op bevrijdende verjaring worden gedaan (zie 2.10). Gesteld noch gebleken is dat Gemeente Stichtse Vecht ondanks bekendheid met haar eigendomsrecht in het geval van de [straatnaam 2] van dat recht afstand heeft willen doen. Het gelijkheidsbeginsel strekt niet zover dat Gemeente Stichtse Vecht in een gemaakte fout zou moeten volharden.”

Gerechtshof Den Bosch 17 juli 2018 –> geen afstand van bezit ex artikel 3: 117 BW en goede trouw.

ECLI:NL:GHSHE:2018:3122

In deze uitspraak heeft de eigenaar van een stuk grond een hekwerk geplaatst op zijn eigen perceel, waardoor er tussen zijn perceel en de daadwerkelijke kadastrale grens een strook grond achter bleef, welke strook jaren later door de buurman in bezit is genomen. De vraag die speelt is of de eigenaar door het plaatsen van het hekwerk afstand heeft gedaan van zijn bezit van de strook grond. Het gerechtshof oordeelt als volgt:

Afstand bezit ex. Art. 3:117 BW

Eén van de wettelijke bepalingen inzake het bezit is artikel 3:117 BW, waaruit volgt dat een bezitter zijn bezit uitsluitend verliest wanneer hij het goed kennelijk prijsgeeft of wanneer een ander het bezit ervan verkrijgt (lid 1) en dat, zo lang niet een van deze twee gronden zich heeft voortgedaan, een aangevangen bezit voortduurt (lid 2). Bij dit laatste speelt de verkeersopvatting geen rol, wat betekent dat het bezit voortduurt ook al wordt niet langer enige feitelijke macht uitgeoefend over de zaak (zie Parl. Gesch. Boek 3, p. 442). In verband met het bepaalde in artikel 3:117 lid 1 BW is verder van belang dat het kennelijk prijsgeven van het bezit van een onroerende zaak niet mogelijk wordt geacht (in elk geval niet in de situatie dat de bezitter tevens eigenaar is).”

“Uit het bepaalde in artikel 3:117 lid 1 BW volgt immers (zie r.o. 3.4.2.) dat het plaatsen van het hek niet kan worden gezien als het kennelijk prijsgeven van het bezit van de daarachter gelegen strook grond, terwijl uit lid 2 van dezelfde bepaling volgt dat het bezit van die strook niet verloren kan zijn gegaan enkel door het niet langer uitoefenen van de feitelijke macht erover.”

Bezitsdaad planten leilinden

Het Hof oordeelt vervolgens dat het bezit enkel verloren kan gaan als de buurman de betreffende strook grond op enig moment in bezit heeft genomen, door bezitsdaden te verrichten. Het Hof is van mening dat het planten van leilinden gezien moet worden als een bezitsdaad:

“Het planten van de leilindes is daarentegen wél een gedraging waaruit een inbezitneming. kan worden afgeleid. Dat is het geval omdat, zoals ook als een feit van algemene bekendheid heeft te gelden, zulke leibomen plegen te worden geplant met de (kennelijke) bedoeling om ze langdurig te houden en te leiden naar hun beoogde specifieke en karakteristieke vorm en omdat aan het planten en leiden van deze bomen aanzienlijke kosten zijn verbonden, die in de regel alleen zullen worden gemaakt door de eigenaar van de ondergrond van de leibomen. Daar komt bij dat de leilindes, eenmaal geplant, goed zichtbaar (zullen) zijn geweest voor derden. Zij konden uit dat planten opmaken dat de buren pretendeerden rechthebbenden te zijn met betrekking tot de strook, althans een deel daarvan, en zij konden dan ook beseffen dat zij tijdig maatregelen moesten nemen om deze inbreuk op hun eigendomsrecht te beëindigen. Dit laatste gold des te meer nu de buren, op zichtbare wijze de bestaande verharding op hun perceel hebben verbreed tot verder op de strook grond en deze verharding ook hebben verlengd tot achterin hun tuin.

Het hof is van oordeel dat uit de hier genoemde gedragingen, bezien in onderling verband, volgt dat zij de strook grond tot aan de haag in bezit hebben genomen.
Dat de buren de inbezitneming niet hebben doen blijken uit het aanbrengen van een ondoordringbare erfafscheiding, zoals daarvoor veelal pleegt te worden geëist, acht het hof in dit geval irrelevant, omdat een dergelijke afscheiding reeds aanwezig was, onder meer in de vorm van de door de wederpartij geplante haag en het door haar aangebrachte hekwerk. Gegeven het bestaan van deze afscheiding en de door de rechtsvoorgangers aangebrachte afscheidingen vormden het planten van de leilindes en de uitbreiding van de verharding voldoende aanwijzing voor derden dat de buren de strook grond tot aan de haag voor zichzelf hielden.”

Goede Trouw

Tot slot geeft het hof in deze zaak een oordeel over goede trouw. Gelet op de feitelijke situatie ter plaatse, de omvang van de strook in relatie tot de omvang van het aangekochte perceel en het ontbreken van relevante informatie van rechtsvoorgangers en derden, bestond er voor de in bezit nemers geen aanleiding of verplichting om uit eigen beweging het kadaster (en de kadastrale kaart en de door het kadaster vervaardigde en bewaarde veldwerktekeningen) te raadplegen en dit te controleren. Niet van belang is of de in bezit nemers naar aanleiding van kadastrale grensreconstructies die na de in bezitneming hebben plaatsgevonden en naar aanleiding van dienaangaande opgemaakte veldwerktekeningen hebben beseft (of konden beseffen) dat de strook grond geen deel uitmaakte van het aan hen verkochte en geleverde perceel. Het hof herhaalt dat in dit geval beslissend is of de goede trouw – al dan niet – heeft bestaan op het moment van de bezitsverkrijging. Feiten en omstandigheden van latere datum kunnen geen afbreuk doen aan een eenmaal bestaande goede trouw.

Rechtbank Noord Holland 30 mei 2018 –> Kwade trouw vereist voor aannemen onrechtmatige daad en schadevergoeding?

ECLI:NL:RBNHO:2018:4430

Op 30 mei jongstleden deed de rechtbank Noord Holland weer een uitspraak waarin de schadevergoeding bij verjaring aan de orde kwam. De uitspraak is gepubliceerd op 11 juni 2018. In deze zaak gaat het om een geschil tussen 2 particulieren en is de gemeente geen partij. Dit neemt niet weg dat de rechter in rechtsoverweging 4.22 t/m 4.24 een interessante uitspraak doet. De rechtbank Noord Holland geeft in deze uitspraak nadere invulling aan de mogelijkheid om schadevergoeding te vorderen na verlies van eigendom door verjaring. Uit deze uitspraak kan worden afgeleid dat van een onrechtmatige daad met als gevolg schadevergoeding niet vanzelfsprekend sprake is.  Door de rechtbank wordt hieraan in deze zaak als nadere eis gesteld dat er sprake moet zijn van kwade trouw aan de zijde van de in bezit nemer die door verjaring het eigendom verkrijgt. Het is aan de partij die zich op de onrechtmatige daad beroept om te onderbouwen dat van kwade trouw aan de zijde van de in bezit nemer sprake is.

Lees hier meer over deze uitspraak.

Hof den Bosch 30 januari 2018 –> Aanscherpen eisen inbezitneming van gemeentegrond

ECLI:NL:GHSHE:2018:347

Het hof den Bosch borduurt in deze uitspraak voort op de lijn die het in haar uitspraken van oktober 2016 heeft ingezet over verjaring van gemeentegrond. In deze uitspraak wordt hier door het hof nog het volgende aan toegevoegd: “Ook als zou worden aangenomen dat [appellanten c.s.] (en zijn rechtsvoorgangers) het perceeldeel vóór 1999 feitelijk hebben gebruikt, door het toe te voegen tot hun tuin, door daarop andere beplanting aan te brengen dan op het overige deel van het gemeenteperceel, door het perceeldeel te onderhouden en door daarop een hek te plaatsen voor zover het perceeldeel zichtbaar is vanaf de openbare weg, is dat onvoldoende om tot het oordeel te komen dat toen sprake is geweest van het bezit van het perceeldeel. Uit deze feitelijke situatie hoefde de gemeente naar verkeersopvatting niet af te leiden dat [appellanten c.s.] en/of zijn rechtsvoorgangers het perceeldeel ondubbelzinnig en uitsluitend voor zichzelf hielden en dat stilzitten door de gemeente kon meebrengen dat de eigendom van de strook grond op den duur gevaar liep. Datzelfde is het geval geweest vanaf het moment dat het hekwerk op het perceeldeel dat zichtbaar is vanaf de openbare weg is geplaatst. Dit is een zodanig beperkt gebruik van de strook, dat uit het plaatsen en houden van het hekwerk niet kan worden afgeleid dat [appellanten c.s.] en zijn rechtsvoorgangers het perceeldeel als geheel voor zichzelf zijn gaan houden. Het perceeldeel was en is nog steeds voor eenieder, in het bijzonder de gemeente, toegankelijk doordat het niet is omheind.

Rechtbank Noord-Holland 24 januari 2018 –> Toepassing mogelijkheid tot vorderen schadevergoeding

ECLI:NL:RBNHO:2018:512

In deze uitspraak oordeelt de rechtbank dat er sprake is van verjaring. Het lijkt of de rechtbank in deze zaak voorbij gaat aan de lijn die door het hof in de uitspraken van 21 april 2015 en oktober 2016 is ingezet.  Daarnaast velt de rechtbank een oordeel over de vordering van de gemeente om voor recht te verklaren dat de bewoners onrechtmatig hebben gehandeld door de grond in bezit te nemen en hen te veroordelen tot een schadevergoeding in natura, inhoudende teruggave van de volledige strook grond. De rechtbank oordeelt dat de bewoners onrechtmatig hebben gehandeld. Daarnaast oordeelt hij dat er sprake is van eigen schuld aan de zijde van de gemeente, omdat zij wist dat de strook in bezit genomen was en heeft verzuimd om hiertegen op te treden. De vordering om de volledige strook grond terug te geven wijst de rechter dan ook af. Omdat de gemeente niet heeft verzocht om een schadevergoeding in geld en ook niet heeft verzocht om teruggave van een gedeelte van de grond, kan de rechtbank niet oordelen dat de bewoners een gedeelte van de schade dienen te vergoeden. Lees hier meer over deze uitspraak

Hof Amsterdam 9 januari 2018 –> Het hof past een zwaardere toets toe indien particuliere grond grenst aan grond van de gemeente

ECLI:NL:GHAMS:2018:34

De eigenaar van een eetcafé doet tegenover de  gemeente  een beroep op zowel bevrijdende als verkrijgende verjaring m.b.t. strook grond, dienend als deel van het terras. Het hof zet de criteria voor inbezitneming duidelijk uiteen en geeft daarnaast een oordeel over de stelplicht en bewijslast. Het Hof oordeelt dat er sprake is van een zwaardere toets indien particuliere grond grenst aan grond van de gemeente.

Rechtbank Rotterdam 19 juli 2017 –> Toepassing mogelijkheid tot vorderen schadevergoeding

(niet gepubliceerd, maar hier te vinden)

In deze uitspraak pas de rechtbank de mogelijkheid om schadevergoeding te vorderen toe. Het ging om een strook grond van 15m2, die door de bewoner in 1984 in bezit is genomen door het plaatsen van een omheining. De rechter oordeelt dat de inbezitnemer door verjaring het eigendom heeft verkregen van de strook gemeentegrond. Het feit dat de inbezitnemer wist dat de gemeente eigenaar is van de strook grond, leidt er echter toe dat de inbezitnemer inbreuk maakt op het eigendomsrecht van de gemeente. Dit levert volgens de rechter een onrechtmatige daad op, waarvoor de inbezitnemer schadeplichtig is jegens de gemeente. Over de vorm van de schadevergoeding overweegt de rechter dat schadevergoeding in geld de hoofdregel is, waarvan slechts om bijzondere redenen van afgeweken kan worden. Omdat de gemeente niet voldoende heeft onderbouwd waarom teruggave van de grond de voorkeur geniet boven een vergoeding in geld, bepaalt de rechter dat de grond niet terug gegeven hoeft te worden. De schade wordt door de rechtbank vastgesteld op de geldende verkoopprijs per m2. De inbezitnemer heeft immers de redelijkheid van deze grondprijs niet betwist. Lees hier meer over deze uitspraak

Hoge Raad 24 februari 2017 –> nadere invulling begrip kenbaarheid + introductie schadevergoeding na verjaring gemeentegrond

ECLI:NL:HR:2017:309

In deze uitspraak geeft de Hoge Raad nadere invulling aan het begrip ‘kenbaarheid’ door te oordelen dat niet vereist dat de gemeente daadwerkelijk heeft kennis gedragen van de bezitsdaden van de niet-rechthebbende waardoor zijn bezit is tenietgegaan. “Voldoende is dat een en ander naar buiten toe – en dus ook voor de eigenaar – kenbaar was. Daaraan doet niet af dat de Gemeente van die bezitsdaden niet dan na onderzoek op de hoogte kon raken. Hoezeer het ook voor eigenaren van met name moeilijk begaanbare of moeilijk toegankelijke percelen bezwarend kan zijn deze periodiek op bezitsinbreuken te controleren, in de gelding van meerbedoelde wettelijke vereisten voor bezit kan die omstandigheid geen verandering brengen. Eerst indien moeilijke begaanbaarheid of moeilijke toegankelijkheid aan de kenbaarheid van de bezitsdaden in de weg staat, is van bezit van een inbreukmaker geen sprake.” Daarnaast introduceert de Hoge Raad in deze uitspraak de mogelijkheid voor de gemeente als grondeigenaar om schadevergoeding te vorderen als zij haar grond door verjaring aan de inbezitnemer door verjaring verliest. De Hoge Raad overweegt ten overvloede dat inbezitneming van grond, wetende dat deze grond van een ander is, onrechtmatig is jegens de oorspronkelijke eigenaar. Dit onrechtmatig handelen levert volgens de Hoge Raad voldoende grond op voor een vordering tot schadevergoeding. De Hoge Raad vult de eisen voor de vordering tot schadevergoeding, op basis van de onrechtmatige daad, grotendeels zelf in. Zo overweegt hij dat het in bezit nemen van andermans grond onrechtmatig is, tot schade leidt bij de oorspronkelijke eigenaar en dat deze schade in verband staat met het verlies van eigendom als gevolg van verjaring. Deze schadevergoeding niet altijd hoeft te bestaan uit een financiële vergoeding (ter hoogte van de grondwaarde), maar ook kan bestaan uit een vergoeding in natura bij wijze van teruggave van de grond. Tot slot overweegt de Hoge Raad dat een beroep op ‘eigen schuld’ door de bezitter die door verjaring het eigendom heeft verkregen, omdat de oorspronkelijke eigenaar heeft nagelaten zijn grond te beschermen, geen doel treft.  Van een grondeigenaar kan immers niet verwacht worden dat hij zijn percelen periodiek op bezitsdaden controleert als daar geen concrete aanleiding voor is. Dit mag in elk geval niet als gevolg hebben dat hij geen aanspraak meer zou kunnen maken op schadevergoeding jegens degene die zijn eigendom wederrechtelijk in bezit heeft genomen, aldus de Hoge Raad. De vordering tot schadevergoeding is zelf ook onderhevig aan verjaring. Dit betekent dat de oorspronkelijke eigenaar de vordering moet indienen uiterlijk vijf jaar na het bekend worden met (i) de schade en (ii) de daarvoor aansprakelijke persoon, of maximaal twintig jaar na de gebeurtenis waardoor de schade is ontstaan. De Hoge Raad overweegt dat de schade niet ontstaat zodra de grond in bezit is genomen, maar zodra het eigendom verloren gaat door de bevrijdende verjaring na twintig jaar bezit. Lees hier meer over dit arrest

Hof Den Bosch 11 oktober 2016 –> aanscherpen eisen inbezitneming van gemeentegrond

ECLI:NL:GHSHE:2016:4559

Deze uitspraak vormt het startschot van een reeks uitspraken waarin het hof Den Bosch oordeelt dat er strenge eisen gelden als het gaat om verjaring van gemeentegrond. Het hof overweegt dat een intentie tot het houden voor zichzelf door een niet rechthebbende niet snel mag worden aangenomen. “Dat is des te meer het geval als het gaat om de veelvuldig voorkomende situatie waarin een strook grond die eigendom is van een gemeente en grenst aan een particulier perceel, in gebruik wordt genomen door de particulier. In veel gevallen zal dat gebruik plaatsvinden zonder een aanwijsbare juridische basis daarvoor, waarna de desbetreffende gemeente dat gebruik vervolgens gedoogt. In dit verband zal een rol spelen dat de bevoegdheid van de eigenaar tot het exclusieve gebruik van zijn eigendom ten aanzien van de hier bedoelde stroken publieke grond minder sterk op de voorgrond treedt dan de exclusieve gebruiksbevoegdheid van een particulier ten aanzien van zijn perceel. Het particuliere gebruik van de stroken publieke grond zal in de regel dan ook niet op bezwaren van de eigenaar (de gemeente) stuiten, zo lang dat gebruik (bijvoorbeeld) niet afdoet aan de verkeersveiligheid en het ook niet verhindert dat de gemeente toegang heeft tot de strook grond als dat vanuit haar overheidstaak nodig is (zoals in de situatie dat dieper in de grond leidingen van nutsvoorzieningen en dergelijk lopen). Het particulier gebruik van de hier bedoelde stroken grond kan zelfs leiden tot een situatie die voordelig is, voor zowel de eigenaar van het belendende perceel als voor de gemeente. Dat – bijvoorbeeld – een particulier niet alleen zijn tuin, maar ook de aangrenzende strook van de gemeente onderhoudt en eventueel zelfs met planten verfraait, zal bijdragen aan het genot van de eigen woning met tuin. De gemeente kan het onderhoud en de verfraaiing van de strook positief opvatten, als een particuliere bijdrage aan het openbaar groen in de gemeente, en zal het waarschijnlijk ook op prijs stellen dat zij de strook niet behoeft te onderhouden.” Dat de gemeente niet optreedt tegen particulier gebruik van stroken als hier bedoeld mag daarom niet snel worden uitgelegd als een blijk van desinteresse van de gemeente voor haar eigendommen, ook niet als de gemeente gebruik gedoogt dat een particuliere eigenaar niet van zijn buurman zou dulden. Als in situaties als deze het gedogen té snel het risico in zich bergt dat het leidt tot verlies van eigendom aan de zijde van de gemeente, kan dat de uitoefening van overheidstaken waarvoor de toegang tot de strook en/of het gebruik ervan noodzakelijk is, bemoeilijken of zelfs onmogelijk maken. Deze consequentie zou voor de gemeente ook aanleiding kunnen zijn om dat gebruik – en vergelijkbaar gebruik in alle andere gevallen – voortaan niet meer te gedogen. Particulier én gemeente missen dan de beperkte, maar niet te verwaarlozen voordelen van het tot dan toe gedoogde gebruik van de strook publieke grond.” Zie in dit kader ook de uitspraken van het hof Den Bosch van 18 oktober 2016, waaronder ECLI:NL:GHSHE:2016:4676.

Hof Amsterdam 26 januari 2016 –> Verjaring van recht van opstal

ECLI:NL:GHAMS:2016:229

In deze uitspraak wordt door het Hof Amsterdam verjaring van een opstalrecht aangenomen. Overeenkomstig artikel 5:101 lid 1 BW is een opstalrecht een zakelijk recht om in, op of boven een onroerende zaak van een ander gebouwen, werken of beplantingen in eigendom te hebben of te verkrijgen. De bewoner doet een beroep op het opstalrecht van het hebben van beplantingen, waarbij hij verwijst naar twee berkenbomen. Het hof is van oordeel dat een dergelijk opstalrecht door verjaring kan worden verkregen. Voor een beroep op verkrijgende verjaring is bezit nodig. De bezitter is in dit geval degene die de aan het recht van opstal verbonden bevoegdheden feitelijk uitoefent. De bewoner heef aangevoerd dat zij zich ten opzichte van de strook heeft gedragen als bezitter van de brandgang door het hebben van beplantingen, te weten de genoemde twee berken. De termijn begint te lopen op het moment van de inbezitname, in de onderhavige zaak het moment waarop de bewoner zijn woning betrok.

Hoge Raad 18 september 2015 –> Ondubbelzinnig bezit

ECLI:NL:HR:2015:2743

In deze uitspraak geeft de Hoge Raad nadere invulling aan het begrip ‘ondubbelzinnig bezit’. De theoretische mogelijkheid dat ook een huurder op een bepaalde wijze de feitelijke macht over de bewuste strook grond kan uitoefenen, leidt nog niet tot ontkennende beantwoording van de vraag of de bewoner deze strook grond in bezit heeft genomen. Die mogelijkheid is pas van belang indien er – in het bijzonder voor de Gemeente als rechthebbende – objectieve aanwijzingen waren om de machtsuitoefening door de bewoner ook daadwerkelijk als die van een huurder aan te merken. Bovendien moet de Gemeente zich daarop hebben beroepen. De Procureur-Generaal over de kwestie: Verkrijgende verjaring moet alleen uitgesloten worden geacht indien de eigenaar in de verdedigbare veronderstelling verkeert dat de persoon die zijn onroerende zaak gebruikt dit doet als zakelijk of persoonlijk gerechtigde. Dat is niet het geval indien de eigenaar geen enkele reden heeft om te denken dat de bewoner als huurder, erfpachter etc. gebruik maakt van zijn grond. Hij concludeert dat het bezit alleen dubbelzinnig kan zijn indien naar verkeersopvatting enige aanleiding bestaat voor de aanname dat bij het uitoefenen van de feitelijke machtsuitoefening over het goed ook kan worden gehandeld krachtens een al dan niet vermeend beperkt of persoonlijk recht.

Hoge Raad 4 september 2015 –> onrechtmatige toestand.

ECLI:NL:HR:2015:2463

In deze uitspraak worden de begrippen ‘ondubbelzinnigheid’ en ‘interversieverbod’ zowel door de Hoge Raad als door de Procureur-Generaal uitgebreid besproken. Daarnaast introduceert de Hoge Raad in deze uitspraak ‘de onrechtmatige toestand’. In artikel 3:314 lid 2 Burgerlijk Wetboek is over de aanvang van de verjaringstermijn opgenomen: Deze verjaringstermijn tot beëindiging van het bezit van een niet-rechthebbende begint met de aanvang van de dag, volgende op die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden of de onmiddellijke opheffing gevorderd kon worden van de toestand waarvan diens bezit de voortzetting vormt’. De Procureur-Generaal zegt in zijn conclusie hierover het volgende: Van de in art. 3:314 lid 2 BW bedoelde onrechtmatige toestand kan ook sprake zijn wanneer het houden van het goed onrechtmatig is jegens de rechthebbende. Hierbij kan gedacht worden aan een situatie waarbij diegene de grond onder zich heeft, hetzij als bezitter, hetzij enkel als houder, bijvoorbeeld uit hoofde van een rechtsverhouding die inmiddels is geëindigd. Degene die zich beroept op verkrijging door extinctieve verjaring, behoeft dus niet gedurende twintig jaren het bezit te hebben gehad van het goed. Vereist is slechts dat hij bezitter is op het tijdstip waarop de verjaringstermijn wordt voltooid, waarbij voldoende is dat zijn bezit voortvloeit uit een toestand die gedurende de verjaringstermijn van twintig jaren heeft voortbestaan, welke termijn aanvangt op het tijdstip dat onmiddellijke opheffing van die toestand gevorderd had kunnen worden. In deze zaak stelde de gemeente zich op het standpunt dat het gebruik van de strook gemeentegrond onrechtmatig was. Indien de gemeente de stelling had ingenomen dat zij het gebruik al die tijd heeft gedoogd, dan wel dat sprake was van een stilzwijgende bruikleenovereenkomst en zij het niet als ‘onrechtmatig’ gebruik aanmerkte, was de uitspraak wellicht anders geweest.

Hof Den Bosch 21 april 2015 –> bezitsdaden

ECLI:NL:GHSHE:2015:1487

In deze uitspraak oordeelt het hof dat in een situatie, waar de groenstrook van het perceel van de gemeente voor de woningen een natuurlijke omzoming van de achtertuinen vormde, het in die groenstrook aanbrengen van een afscheiding van paaltjes met gaas of draad om de bewegingsvrijheid van honden en/of kinderen te beperken, niet valt te scharen onder uiterlijk waarneembare gedragingen waaruit naar verkeersopvatting ondubbelzinnig een gaan houden voor zichzelf met onttrekking van bezit aan de gemeente kan worden afgeleid. Voor het plaatsen van een kippenhok, speelhuis voor kinderen en/of een houtopslag, het in privé aanbrengen van beplantingen en het onderhouden daarvan en van de door de gemeente aangebrachte beplanting en het aanbrengen van doorgangen in de afscheiding, geldt naar het oordeel van het hof eveneens dat daaruit nog niet ondubbelzinnig blijkt van een pretentie om de strook grond aan het eigendomsrecht van de gemeente te onttrekken en voor zichzelf te gaan houden. In cassatie gaat de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad mee in het oordeel van het hof (zie ECLI:NL:GHSHE:2015:1487)

Hoge Raad 1 maart 2013 –> bezit ook mogelijk bij een huurder?

ECLI:NL:PHR:2013:BY6754  (conclusie PG)

In deze uitspraak staat de vraag centraal of een huurder van een woning een strook gemeentegrond direct grenzend aan de gehuurde tuin in bezit kan nemen. De Procureur-Generaal zegt hierover in zijn conclusie bij het arrest dat het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld heeft dat volgens de verkeersopvatting het bestaan van de huurovereenkomst (met betrekking tot de woning) aan het aannemen van een eigendomspretentie bij de bewoners (met betrekking tot een naastgelegen, niet verhuurde strook) in de weg staat. De bewoner stelt zich op het standpunt dat de woningbouwstichting door verjaring het eigendom van de grond heeft verkregen op grond van ‘middellijk bezit’, doordat de bewoner daarover voor haar de feitelijke macht uitoefende. De vraag of sprake is van middellijk bezit dient te worden beantwoord aan de hand van verkeersopvatting. De enkele omstandigheid dat sprake is van een verhuurrelatie brengt niet met zich dat door de huurder gepleegde machtsuitoefeningen ten aanzien van een aanpalend perceel naar verkeersopvatting aan de verhuurder dienen te worden toegerekend (lees: dat hem het bezit moet worden opgedrongen). Voor middellijke bezitsverkrijging is vereist dat sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat de feitelijke ingebruikneming door de huurder op grond van vertegenwoordiging of een rechtsverhouding als bedoeld in art. 3:110 BW aan de verhuurder kan worden toegerekend.

Vragen over verjaring? Neem dan contact met ons op.

[recaptcha]

Klik hier voor ons privacybeleid.