Uitleg formulering “wetende dat grond aan een ander toebehoorde toen hij het in bezit nam” bij beroep op schadevergoeding na erkenning verjaring

Uitleg formulering “wetende dat grond aan een ander toebehoorde toen hij het in bezit nam” bij beroep op schadevergoeding na erkenning verjaring

Uitspraak Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 18 mei 2021

ECLI:NL:GHSHE:2021:1469

Bij een geslaagd beroep op bevrijdende verjaring heeft de oorspronkelijk rechthebbende in sommige gevallen recht op schadevergoeding. Dit is het geval indien voldaan wordt aan de vereisten van de onrechtmatige daad, zoals geregeld in artikel 6:162 BW. Hiervoor dient vast te staan dat de bezitnemer weet dat de grond aan een ander toebehoorde toen hij het in bezit nam (daarmee is een schadevergoeding bij een geslaagd beroep op verkrijgende verjaring uitgesloten nu daarvoor “goede trouw” van de bezitter vereist is). In deze uitspraak gaat het Gerechtshof in op hoe de formulering “wetende dat grond aan en ander toebehoorde toen hij het in bezit nam” uitgelegd moet worden.

Feiten

In deze uitspraak gaat het om een geschil tussen twee buren. A en B zijn ieder eigenaar van een perceel van ongeveer 1000m² op een vakantiepark. De percelen van A en B grenzen aan elkaar, waarbij beide percelen werden afgescheiden door een door A geplante coniferenhaag. Na een door het Kadaster uitgevoerde grensreconstructie is gebleken dat de coniferenhaag niet op de kadastrale eigendomsgrens staat. De coniferenhaag staat meer richting het perceel van B, waardoor een onderdeel van het feitelijke perceel van A bestaat uit B’s kadastraal eigendom (hierna: de strook grond). In een eerdere procedure – waarbij partijen tot de Hoge Raad doorgeprocedeerd hebben – heeft de rechtbank bij vonnis van 30 maart 2016 geoordeeld dat de strook grond tot aan de coniferenhaag door verjaring eigendom is geworden van A.

In de onderhavige procedure heeft B A wederom voor de rechtbank Limburg gedagvaard en onder andere een verklaring voor recht gevorderd dat A toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld door de strook grond tussen september 1992 en mei 1993 te kwader trouw in bezit te nemen en vervolgens te houden gedurende de voor verjaring ex artikel 3:105 lid 1 jo. 306 BW vereiste termijn van twintig jaren, alsmede dat A gehouden is aan B diens hierdoor geleden en nog te lijden schade te vergoeden (hierna: vordering I). De rechtbank heeft deze vordering toegewezen. A heeft uitvoering gegeven aan het vonnis en bij notariële akte de strook grond aan B overgedragen, maar komt wel in hoger beroep op tegen het vonnis van de rechtbank.

Bij het Gerechtshof stelt B dat A had moeten en kunnen weten waar de kadastrale eigendomsgrens lag, toen hij de coniferenhaag plantte. A heeft de coniferenhaag volgens B dus met opzet voorbij de kadastrale eigendomsgrens geplaatst, met het uiteindelijke eigendomsverlies als gevolg. A moet daarom aan B de schade vergoeden door de verkregen grond aan B terug te geven, aldus B. B beroept zich hierbij op het arrest van de Hoge Raad, waarin de mogelijkheid van een dergelijke vordering voor degene die zijn eigendom op deze wijze verloor voor het eerst werd erkend (Hoge Raad 24 februari 2017, ECLI:HR:2017:309).

De beoordeling

Bij de beoordeling van vordering I staat de vraag centraal of A een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens B, omdat A de strook grond door bevrijdende verjaring in eigendom heeft verkregen. Om deze vraag te beantwoorden citeert het Gerechtshof in r.o. 8.2. eerst de overweging van de Hoge Raad in het arrest van 24 februari 2017. In deze overweging stelt de Hoge Raad dat de oorspronkelijk rechthebbende bij een geslaagd beroep op bevrijdende verjaring de bezitter aansprakelijk kan stellen op grond van onrechtmatige daad. Dit omdat iemand die een zaak in bezit neemt en houdt, wetende dat een ander daarvan eigenaar is, tegenover die oorspronkelijk eigenaar onrechtmatig handelt. Dat brengt volgens de Hoge Raad mee dat de oorspronkelijk eigenaar kan vorderen dat hem door de bezitter de schade wordt vergoed die hij als gevolg van dat onrechtmatig handelen lijdt (mits aan de overige voorwaarden daarvoor is voldaan). In een dergelijk geval ligt het volgens de Hoge Raad voor de hand dat de rechter, indien de gedepossedeerde dat vordert en de occupant nog steeds eigenaar is, op de voet van artikel 6:103 BW de bezitter veroordeelt bij wijze van schadevergoeding de wederrechtelijk in bezit genomen zaak aan de benadeelde in eigendom over te dragen.

Uitleg formulering “wetende dat grond aan een ander toebehoorde toen hij het in bezit nam

Met dit in het achterhoofd overweegt het Gerechtshof in r.o. 8.3. als volgt:

 Gezien dit oordeel van de Hoge Raad gaat het in de onderhavige zaak om de vraag of [appellanten] [in casu: A] in de door de Hoge Raad gehanteerde formulering “wisten dat” de grond aan [geïntimeerde] [in casu: B] toebehoorde. Hierbij maakt het niet uit of [appellanten] [in casu: A] als bezitters te kwader trouw of bezitters niet te goeder trouw worden omschreven. De wet maakt in Titel 5 van Boek 3 BW een onderscheid tussen “te goeder trouw” en “niet te goeder trouw”. Met het gebruik van de term “te kwader trouw” is geen verdere nuance tussen goede trouw en niet te goeder trouw geïntroduceerd. Het hof verwijst in dit verband naar hetgeen hierover in de parlementaire geschiedenis is opgemerkt: “Bij de bepaling, wie bezitter te kwader trouw is, is volstaan met als zodanig aan te wijzen allen, die niet bezitter te goeder trouw zijn. Men is immers te goeder trouw of te kwader trouw, een derde mogelijkheid kent de wet niet” (Parl. Gesch. Boek 3, p. 443).

De vraag of [appellanten] [in casu: A] “wisten dat” de grond aan [geïntimeerde] [in casu: B] toebehoorde wordt hier ook niet gesteld in het kader van de toepasselijkheid van artikel 3:99 BW of 3:105 jo 3:306 BW op eigendomsverkrijging na bezitsverkrijging, maar in het kader van de vraag of in het beoordeelde geval onrechtmatig is gehandeld door dat bezit te nemen en te houden, wetende dat een ander eigenaar is. Gaat het daarbij om pure subjectieve wetenschap, of spelen daarbij ook objectieve elementen een rol? De door de Hoge Raad gehanteerde bewoordingen “wetende dat” in plaats van de vaker gebruikte uitdrukking “weten of behoren te weten dat” lijken erop te duiden dat er geen of hooguit heel weinig objectieve elementen bij de beoordeling van de vraag naar de onrechtmatigheid meespelen, althans dat die beoordeling strikt zal moeten zijn. Hoewel de hierboven in rov 8.2.2. geciteerde overwegingen van de Hoge Raad ten overvloede waren, en als zodanig toen niet van invloed zijn geweest op de uitkomst van het arrest, kan het hier echter nog wel van belang zijn dat in het door de Hoge Raad beoordeelde geval vaststond dat de Erven J c.s. (althans de erflater) heel goed wisten dat de grond die zij in bezit namen in eigendom aan de gemeente toebehoorde, zodat de vraag naar het eventuele “behoren te weten” daar niet aan de orde was.”

Kortom: bij de beoordeling van de onrechtmatigheid gaat het erom of A wist dat de grond eigendom van B was en niet of hij dit had behoren te weten. Bij deze beoordeling spelen volgens het Gerechtshof geen dan wel weinig objectieve elementen een rol, maar slechts subjectieve elementen; de beoordeling zal strikt moeten zijn.

 

Overweging Hoge Raad toegespitst op de onderhavige casus

Volgens het Gerechtshof staat vast dat A wist dat de grond aan B toebehoorde toen hij de coniferenhaag plantte. Begin maart 1991 zijn de kadastrale eigendomsgrenzen namelijk ingemeten door het Kadaster, waarbij de grenzen in het veld zichtbaar zijn gemaakt met ijzeren buizen met houten piketten. Vervolgens heeft A in juli 1991 aan het Kadaster de nieuw te vormen grenzen van het reeds ingemeten perceel aangewezen. Omdat de omvang van het ingemeten perceel afweek van hetgeen in de leveringsakte vermeld stond, heeft het Kadaster het perceel op verzoek van A op 2 juni 1992 opnieuw ingemeten. Hiervoor heeft A de nieuwe grenzen aangewezen aan het Kadaster. (Een) of meerdere van de ijzeren buizen die bij deze inmeting geplaatst zijn, zijn bij een in 2014 uitgevoerde grensreconstructie weer tevoorschijn gekomen. Van de in 1992 uitgevoerde inmeting heeft A het document “kennisgeving inzake het ambtshalve opnieuw vaststellen van de grootte van een perceel” van het Kadaster ontvangen, waarin het resultaat van de nieuwe inmeting stond. Op de tekening behorend bij het relaas van bevindingen staat een rechthoekig perceel afgebeeld, waarbij de grens tussen het perceel van A en B in een haakse rechte lijn loopt. Dit rechthoekig perceel is ook te zien op de door A geparagrafeerde tekening die aan de leveringsakte was gehecht. Het perceel was in de feitelijke situatie niet rechthoekig meer, maar liep aan de noordkant schuin.

Volgens het Gerechtshof staat hiermee vast dat A alle informatie verkregen heeft, waarop de hem verweten wetenschap betrekking had. Indien hij die informatie later niet paraat had, had hij die wetenschap op eenvoudige wijze weer kunnen activeren door in zijn eigen archieven te kijken en/of een ter zake deskundige zoals het Kadaster te raadplegen. Door raadpleging van deze informatie had hij kunnen weten dat het perceel rechthoekig behoort te zijn en waar de exacte kadastrale eigendomsgrens ligt. Daarmee staat wetenschap van A – als bedoeld door de Hoge Raad in zijn arrest van 24 februari 2017 – volgens het Gerechtshof vast. Dit leidt volgens het Gerechtshof tot een onrechtmatige daad:

“8.4.4.

Door deze gang van zaken namen [appellanten] [in casu: A] grond in bezit die aan [betrokkene 1] [in casu: de rechtsvoorganger van B] toebehoorde, terwijl zij de wetenschap bezaten dat die grond aan [in casu: de rechtsvoorganger van B] toebehoorde, althans de (latent) aanwezige wetenschap daarvan slechts behoefden te activeren, nu zij die wetenschap zeer kort vóór de inbezitneming actief hadden bezeten. Door aldus te handelen en vervolgens de strook grond in bezit te houden totdat zij door bevrijdende verjaring daarvan eigenaar waren geworden, hebben [appellanten] [in casu: A] toerekenbaar onrechtmatig gehandeld tegenover de eigenaar van de in bezit genomen grond, thans [geïntimeerde] [in casu: B]. Het doet hierbij niet ter zake of [betrokkene 1] [in casu: de rechtsvoorganger van B] het in 1992 eens was met de gang van zaken of niet, nu gesteld noch gebleken is dat tussen [appellanten] [in casu: A] en [betrokkene 1] [in casu: de rechtsvoorganger van B] een afspraak is gemaakt die goederenrechtelijke consequenties had, noch dat met [betrokkene 1] [in casu: de rechtsvoorganger van B] een vaststellingsovereenkomst was gesloten dat beide partijen de door [verkoopmakelaar] aangewezen grens zouden accepteren als eigendomsgrens.”

Sharissa Mallens

Heeft u vragen naar aanleiding van dit artikel? Neem dan contact met ons op door te mailen naar info@metafoorvastgoed.nl of te bellen naar 088 – 00 66 100. Of dien uw vraag in via onze adviesdesk.