Uitspraak rechtbank Noord-Holland | Bezit en verjaring: begrip ontoegankelijkheid

Uitspraak bezit en verjaring: begrip ontoegankelijkheid

Uitspraak d.d. 19 augustus 2020

Voor een geslaagd beroep op verjaring is nodig dat de bezitsdaden dusdanig zijn, dat het bezit van de oorspronkelijk rechthebbende hierdoor volledig teniet wordt gedaan. Vaak wordt aangenomen dat het ontoegankelijk maken van de strook grond voldoende is. Maar wanneer is een strook ontoegankelijk? De rechtbank Noord-Holland legt het begrip ontoegankelijkheid uit in deze uitspraak.

Het gaat in deze zaak om een smalle strook grond tussen de gevel en de kadastrale erfgrens. Op de feitelijke grens staat een laag stenen muurtje. De strook is verder ingericht met grind. Later is er op het lage muurtje ook een hek geplaatst. De rechtbank oordeelt over de ontoegankelijkheid als volgt:

“Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat [eisers] het grindpad op de strook grond heeft aangelegd, altijd heeft onderhouden en dat de strook grond, in elk geval sinds 2000, niet voor [gedaagden] of zijn rechtsvoorgangers toegankelijk is geweest. [gedaagden] heeft dit weliswaar betwist, maar niet gemotiveerd. Het feit dat de strook grond technisch gezien (al dan niet door middel van een deur in een hek) toegankelijk was voor [gedaagden] en zijn rechtsvoorgangers, maakt dit niet anders. Nergens blijkt namelijk uit dat zij zich ook daadwerkelijk toegang hebben verschaft. In die zin heeft [eisers] dan ook feitelijke macht uitgeoefend over de strook grond.

Ook op grond van uiterlijke feiten kan [eisers] als bezitter van de strook grond worden aangemerkt. Tijdens de descente is geconstateerd dat het voor personen die langs de percelen van partijen lopen, door het muurtje en hek daarbovenop, lijkt alsof de strook grond met grind behoort tot het perceel van [eisers]                     

Gelet op het voorgaande konden [gedaagden] en zijn rechtsvoorgangers uit de gedragingen van [eisers] duidelijk opmaken dat [eisers] pretendeerde rechthebbende te zijn”

Uit deze uitspraak blijkt hoe de verkeersopvatting getoetst wordt. Er wordt niet gekeken of het technisch mogelijk is om de grond te betreden, maar naar hoe de feitelijke toestand ter plaatse overkomt op personen die langs het perceel zouden lopen. Toch blijkt uit de jurisprudentie dat bezit, als het gaat om publieke stroken grond, niet snel wordt aangenomen. Als het om publieke grond gaat komt het immers veel voor dat dergelijke stroken, als zij grenzen aan particuliere tuinen, ingericht worden als tuin. Zolang de inrichting bij de eigenaar van de publieke gronden niet tot bezwaren leidt en aldus wordt gedoogd, hoeft van een onrechtmatige toestand en bezit niet altijd sprake te zijn, ook niet als het voor personen die langs het perceel van de particulier lopen, lijkt of de strook onderdeel is van het particuliere eigendom. Zodra de strook grond echter omheind is met een duidelijke erfafscheiding, al dan niet met een opening, kan ook een strook van publiek eigendom in bezit genomen zijn en door verjaring verloren gaan. Of het voor de publieke eigenaar technisch gezien mogelijk is om de grond te betreden, doet niet ter zake.

Mvr. Mr. D.(Deirdre) Swiers

Heeft u vragen naar aanleiding van dit artikel? Neem dan contact met ons op door te mailen naar info@www.metafoorvastgoed.nl of te bellen naar 088 – 00 66 100. Klik hier voor meer informatie over verjaring en hier voor recente jurisprudentie.