Update jurisprudentie verjaring

Update jurisprudentie verjaring

In het tweede en derde kwartaal van dit jaar zijn meerdere interessante uitspraken verschenen rondom verjaring. Wij hebben deze uitspraken wederom verzameld en geanalyseerd. Een aantal belangrijke rechtsoverwegingen over de strenge eisen die gesteld worden aan het in bezit nemen van (publieke) grond, hebben wij kort samengevat en opgenomen in dit artikel, zodat u als lezer weer helemaal op de hoogte bent van de huidige stand van zaken.

1. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 juli 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:7230 [strenge eisen aan bezitsdaden op publieke grond]

r.o. 5.8

“Op de door B overgelegde foto uit 1993 is niet te zien dat de strook grond in gebruik is bij B; er is geen erfafscheiding waar te nemen, geen beplanting en geen haag. Enkel is langs de rand van de weg een brievenbus zichtbaar. Van inbezitneming kan op basis van deze feitelijke omstandigheden niet worden gesproken. Maar ook de foto’s uit 1996 die door B ter onderbouwing zijn overgelegd, rechtvaardigen niet de conclusie dat sprake is van inbezitneming. Deze foto’s tonen lage, losse beplantingen ter afpaling van de tuin met een stenen rand. Een roosterhek is niet zichtbaar. Dat de beplanting in de loop der tijd zal zijn gegroeid, maakt het oordeel niet anders. Houderschap gaat niet door enkel tijdsverloop vanwege een natuurlijk groeiproces van planten over in bezit. Wat hier ook verder van zij, uit de foto’s uit 1996 blijkt niet dat de strook grond door de aanpassingen van B ontoegankelijk is geworden voor de provincie. Van afsluiting is geen sprake. Via de oprit is de strook in ieder geval vrij toegankelijk gebleven. Dat B de oprit die ten dele over de strook grond loopt gebruikt en naar zijn inzichten aanvankelijk met grind heeft ingericht en daarna eenvormig heeft bestraat, is op zichzelf en in samenhang met de overige handelingen beschouwd ook onvoldoende als inbezitneming van de strook grond. Op basis van artikel 14 Wegenwet moeten uitwegen over publieke wegbermen ook geduld worden; een verharding ten behoeve van de uitweg is in beginsel een vorm van wettelijk toegestaan en dus rechtmatig gebruik van publieke grond.”

“De plaatsing van een eigen put dan wel kolk door B op de strook grond is niet een zodanige machtsuitoefening dat dit, gelet op de overige omstandigheden, een ander oordeel rechtvaardigt.”

2. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 juli 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:7215 [natuurlijk groeiproces van planten niet voldoende voor overgang houderschap naar bezit]

“ Van afsluiting is geen sprake geweest en daarmee niet van exclusief gebruik door A, dat de beplanting in de loop der tijd vervolgens is veranderd – thans met losse taxusbomen, klimop en buxus – en/of ten dele is uitgegroeid tot een manshoge, ondoordringbare haag, maakt het oordeel niet anders. Houderschap gaat niet door enkel tijdsverloop vanwege een natuurlijk groeiproces van planten over in bezit. Dat de provincie niet schriftelijk kenbaar heeft gemaakt aan A het gebruik van de grond te gedogen, maakt verder niet dat de provincie in deze procedure geen aanspraak meer op haar eigendom kan maken. Zij is niet gehouden een eventueel gedogen van gebruik van haar grond, schriftelijk te bevestigen laat staan dat zij bij het nalaten ervan enkel om die reden haar aanspraak op die grond zou verliezen.

3. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 juli 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:7147 [plaatsen van zandbak bezitsdaad?]

r.o. 3.5

“Het hof is van oordeel dat [appellante], door het plaatsen van een zandbak op de stook grond in 1973, het gedeelte van de strook grond met de lengte van de zandbak in bezit heeft genomen. Doordat de zandbak achter in de tuin van [appellante] tegen de schuur van [naam1] aan stond, maakte hij optisch deel uit van de tuin van [appellante]. De wand van de schuur leek de grens te markeren. [appellante] is daar ook vanuit gegaan en heeft daarom zonder overleg met [naam1] de zandbak op die grond gemaakt. Zij heeft zich gedragen als eigenaar van de grond onder de zandbak. Zij werd daardoor de bezitter van die grond. Hier is namelijk méér gebeurd dan alleen het inrichten van andermans tuin, doordat de zandbak precies aansloot bij de ogenschijnlijke erfgrens.”

4. Rechtbank Gelderland, 23 juni 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:4122 [aanwezigheid rioolbuis in grond staat niet in de weg aan inbezitneming]

r.o. 4.6

“De rechtbank oordeelt als volgt. Gemeente Lingewaard heeft onvoldoende weersproken dat de beukenhaag een hoge, ondoordringbare en dichte haag is, waardoor de strook grond visueel één geheel vormt met de tuin van [eis.conv./verw.reconv.]. De strook grond is voor derden – en dus ook voor Gemeente Lingewaard – zonder toestemming van [eis.conv./verw.reconv.] niet te betreden. Gemeente Lingewaard heeft geen vrije toegang tot de strook grond en in zoverre is haar macht daarover geëindigd. Het planten van de beukenhaag als afscheiding tussen de tuin en het trottoir van de [straat/straten] is naar het oordeel van de rechtbank dan ook een daad van inbezitneming. Hieraan doet niet af dat Gemeente Lingewaard de duikers en rioolbuis onder de strook grond nog onderhoudt, omdat niet gesteld of gebleken is dat zij voor het uitvoeren van dat onderhoud de strook grond betreedt.

5. Rechtbank Noord-Holland, 11 augustus 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:6311 [parkeermakering, lantaarnpalen, vlaggenmasten en reclamezuil niet voldoende voor bezit]

r.o. 4.13

“Daar komt bij dat enkel de parkeermarkering in combinatie met de lantaarnpalen, vlaggenmast(en) en reclamezuil geen blijk geven van een zodanige machtsuitoefening ten aanzien van de strook grond dat naar verkeersopvatting de Gemeente als oorspronkelijk bezitter daarvan niet meer als zodanig kan gelden. Voorop wordt gesteld dat de strook grond (oorspronkelijk) publiek eigendom is en in dergelijke gevallen niet snel sprake is van een intentie van eigenaren van aangrenzende percelen tot houden voor zichzelf. Hierbij is in aanmerking genomen dat de strook grond in het geheel niet is omheind (laat staan op een ondoordringbare wijze), zodat de strook grond publiekelijk toegankelijk is vanaf de openbare weg. Van een ondubbelzinnige pretentie de strook grond voor zichzelf te houden en het bezit daarvan aan de Gemeente als rechthebbende ervan te ontnemen, is dan ook geen sprake.”

6. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24 augustus 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:8121 [strenge eisen inbezitneming grond]

 r.o. 2.13

“Het plaatsen van een afrastering om dieren binnen te houden is geen bezitsdaad.”

r.o. 2.15

“[geïntimeerden] c.s. stelt tot slot dat zijn bezit blijkt uit het onderhoud dat hij heeft gepleegd aan de sloot. Dat onderhoud was volgens hem noodzakelijk omdat de stichting geen enkel onderhoud pleegde. Het onderhouden van een sloot is geen bezitsdaad.”

Conclusie

Uit de bovenstaande uitspraken kunnen we afleiden dat de volgende machtsuitoefeningen in beginsel geen bezitsdaden zijn:

  • lage, losse beplantingen ter afpaling van de tuin met een stenen rand. Dat de beplanting in de loop der tijd zal zijn gegroeid, maakt het oordeel niet anders.
  • plaatsen brievenbus
  • plaatsen van een eigen put dan wel kolk
  • plaatsen parkeermarkering in combinatie met de lantaarnpalen, vlaggenmast(en) en reclamezuil
  • plaatsen van een afrastering om dieren binnen te houden
  • het onderhouden van een sloot

Daarnaast lezen wij hier in het volgende:

  • het plaatsen van een zandbak kan wel een bezitsdaad zijn
  • De aanwezigheid van duikers en riolering in de grond staat niet in de weg aan het in bezit nemen van de grond. Ook niet als aan deze voorzieningen onderhoud wordt gepleegd zonder de grond te betreden.
  • De grondeigenaar hoeft een eventueel gedogen van gebruik van haar grond niet schriftelijk te bevestigen, laat staan dat zij bij het nalaten ervan enkel om die reden haar aanspraak op die grond zou verliezen.

Volledigheidshalve wijzen wij erop dat de omstandigheden van het geval in iedere zaak hebben bijgedragen aan het oordeel van de rechter. De uitspraken zijn in die zin altijd casuïstisch. Dit betekent dat bijvoorbeeld het plaatsen van een zandbak onder de genoemde specifieke omstandigheden van de casus als een bezitsdaad aangemerkt kan worden. Als de feiten en omstandigheden van de casus anders zijn, kan dit gevolgen hebben voor het oordeel of er al dan niet sprake is van een bezitsdaad.

Klik hier voor onze pagina waar alle jurisprudentie met betrekking tot verjaring worden bijgehouden.