Verjaring en erfdienstbaarheid van weg tussen buren

Verjaring en erfdienstbaarheid van weg tussen buren

Uitspraak Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
d.d. 18 mei 2021

ECLI:NL:GHARL:2021:4762

In deze zaak gaat het om een strook grond op het perceel van nummer 12, welke nummer 15 in gebruik heeft. De rechtbank heeft het beroep op verjaring van nummer 12 gehonoreerd tot een diepte van 75 cm. Beide partijen bestrijden het door de rechtbank gegeven oordeel over de vraag wie eigenaar is van de grond tussen het perceel van gedaagde en de openbare weg. Beide partijen betogen in de kern dat zij eigenaar zijn van de volledige strook grond. Daarbij bestaat er een erfdienstbaarheid van weg om te komen van en te gaan naar de openbare weg. Het perceel van nummer 12 is hierbij het dienend erf.

De loop van de openbare weg “ [a-straat] ” is hierboven indicatief met streepjes weergegeven.

Oordeel Gerechtshof over verjaring

Het hof stelt eerst de kaders weer scherp alvorens tot een beoordeling over te gaan.

5.7 Het hof overweegt dat naar huidig recht (artikel 3:105 lid 1 BW) hij die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, dat goed verkrijgt, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw. Vereist is dat de verkrijger het bezit heeft op het moment waarop de verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit wordt voltooid. Op grond van artikel 3:314 lid 2 BW vangt de verjaringstermijn van zo’n rechtsvordering aan op de dag nadat een ander dan de rechthebbende bezitter is geworden of de onmiddellijke opheffing gevorderd kon worden van de toestand waarvan diens bezit de voortzetting vormt. Op grond van artikel 3:306 BW bedraagt de verjaringstermijn voor een dergelijke rechtsvordering 20 jaar.

5.8 Voor het verkrijgen van een goed door verjaring is dus bezit vereist. De vraag of op het tijdstip van voltooiing van de verjaring sprake is van bezit dient te worden beantwoord aan de hand van artikel 3:107 BW en volgende. Bezit is het houden van een goed voor zichzelf (artikel 3:107 BW). Of er sprake is van bezit wordt beoordeeld naar de verkeersopvattingen met inachtneming van de wettelijke regels en overigens op grond van de uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW). Voor de beantwoording van de vraag of iemand een zaak in bezit heeft genomen, is bepalend of hij de feitelijke macht over die zaak is gaan uitoefenen (artikel 3:113 lid 1 BW). Indien de zaak in het bezit van een ander is, zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen voor inbezitneming onvoldoende (artikel 3:113 lid 2 BW). De machtsuitoefening moet zodanig zijn dat deze naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet doet. Dit is een kwestie van feitelijke aard. De rol van de verkeersopvatting brengt mee dat bij de aan de orde zijnde vraag de aard en de bestemming van het betrokken goed in aanmerking moeten worden genomen.

5.9 Het is aan [gedaagde] te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij en zijn rechtsvoorgangers tenminste 20 jaar het bezit van de strook grond hebben gehad. Van belang hierbij is dat een lopende verjaring door stuiting kan worden afgebroken.

(…)

5.12 Uit het samenstel van de foto’s valt daarmee af te leiden dat het houten hek ten minste vanaf 1974 onveranderd op dezelfde plek heeft gestaan en veel dichter op de openbare weg stond, dat wil zeggen voorbij de kadastrale grens, bezien vanuit de woning van [gedaagde]. Verder kan uit die foto’s worden afgeleid dat de grond tussen de woning van [a-straat] 15 en het houten hek visueel een eenheid vormt en dat het hek visueel tot afscheiding dient van dat perceel met de openbare weg en de daarvoor gelegen reep grond / berm. Die foto’s leiden er verder toe dat de verklaring van [gedaagde] senior, ook indien die wordt beschouwd met de nodige terughoudendheid vanwege zijn familierelatie met [gedaagde] , in relevante mate steun biedt aan de stellingen van [gedaagde] .De rechtbank oordeelt dus dat ook als de gemeente stelt dat zij door verjaring het eigendom van een strook grond heeft verkregen, de strenge eisen die in de jurisprudentie worden gesteld aan het in bezit nemen van (publieke) grond, onverkort van toepassing zijn. Ook de gemeente zal voor een geslaagd beroep op verjaring dusdanige bezitsdaden moeten plegen die tot gevolg hebben dat de oorspronkelijk eigenaar geen gebruik meer kan maken van de grond. Omdat de gemeente nu eenmaal niet zo exclusief gebruik maakt van haar grond (gemeentegrond is veelal onderdeel van het openbaar gebied dat voor een ieder toegankelijk), is zal een beroep op verjaring door de gemeente niet snel slagen.”

Het hof oordeelt dat voldoende aannemelijk is geworden dat het bezit van de strook grond (ruimschoots) vóór 25 november 1996 is aangevangen en ten minste twintig jaren heeft geduurd tot aan de stuiting van de verjaring door [eisers].

Opheffing dan wel wijziging erfdienstbaarheid

Het hof staat in rechtsoverwegingen 5.26 t/m 5.30 stil bij de vraag of er grond is voor opheffing dan wel wijziging van de erfdienstbaarheid en of er bij het voortbestaan een periodieke vergoeding moet worden opgelegd.

“5.26 [eisers] c.s. hebben allereerst opheffing van de erfdienstbaarheid gevorderd, waarmee hun perceel als lijdend erf is belast ten gunste van het perceel van [gedaagde]. Volgens [eisers] c.s. is de openbare weg de [a-straat] voor het perceel [a-straat] 15 inmiddels ook bereikbaar via het perceel [a-straat] 15a, waartoe ten gunste van [a-straat] 15 eveneens een erfdienstbaarheid is gevestigd.

5.27 Op grond van artikel 5:79 BW kan de rechter een erfdienstbaarheid opheffen onder meer als de eigenaar van het heersende erf daarmee geen redelijk belang meer heeft en het niet aannemelijk is dat het redelijk belang daarbij zal terugkeren. Van die situatie is naar het oordeel van het hof geen sprake. De oprit die door de percelen [a-straat] 15 en [a-straat] 15a wordt gebruikt om op en van de openbare weg te komen, is immers (voor een klein deel) gelegen op het perceel van [a-straat] 15, te weten de driehoek aan bestrating voor de brievenbus van perceel [a-straat] 15. Daarnaast geldt dat het voorste deel van de oprit, gelegen op het perceel [a-straat] 15a, ook alleen maar gebruikt kan worden vanwege het bestaan van dezelfde erfdienstbaarheid, waarvan [a-straat] 12 het dienend perceel is. Verder geldt dat, zo er al nu geen redelijk belang meer is, niet kan worden aangenomen dat dat redelijk belang niet kan terugkeren. Een opheffing van de erfdienstbaarheid als door [eisers] c.s. zou er immers toe leiden dat het perceel [a-straat] 15 geen rechtstreeks toegang meer heeft tot de openbare weg.

5.28 Op grond van artikel 5:78 onder a. BW kan de rechter een erfdienstbaarheid wijzigen onder meer als sprake is van onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de erfdienstbaarheid niet van de eigenaar van het dienende erf kan worden gevergd. Van die situatie is evenmin sprake. De erfdienstbaarheid ziet nu op de reep grond van 75 centimeter breedte, gelegen tussen de openbare weg en het perceel van [a-straat] 15 aan de overzijde van [a-straat] 12. Die reep grond is, anders dan [eisers] c.s. stellen, gezien de breedte van de openbare weg ter plaatse veel te smal om daarop (en op de openbare weg) een auto te parkeren. Een ruimere mogelijkheid om te kunnen in- en uitparkeren op en vanuit het perceel [a-straat] 12, zoals [eisers] c.s. aanvoeren, is van onvoldoende gewicht om de erfdienstbaarheid te beperken, zoals zij beogen.

Voor het overige steunt de vordering tot wijziging op de stelling dat [gedaagde] bij de erfdienstbaarheid geen redelijk belang (meer) heeft, maar daarin kunnen [eisers] c.s. niet worden gevolgd. Dat is hiervoor al uitgelegd.

5.29 [eisers] c.s. vorderen dat aan de erfdienstbaarheid een vergoeding wordt verbonden van € 50,- per maand. Zij voeren daartoe aan dat de erfdienstbaarheid niet meer door [gedaagde] wordt gebruikt, terwijl zij door de erfdienstbaarheid wel worden beperkt in de wijze waarop zij hun grond wensen te gebruiken. In dat verband hebben [eisers] c.s. er op gewezen dat het uitrijden vanaf hun perceel soepeler zou gaan zonder de aanwezigheid van de betonbanden aan de overzijde van hun perceel.

5.30 Bij de vestiging van de erfdienstbaarheid is, zo is onomstreden, aan de eigenaar van het heersende erf – [gedaagde] – geen verplichting opgelegd aan de eigenaar van het dienend erf – [eisers] c.s. – (periodiek) een vergoeding (“retributie”) te betalen. De door [eisers] c.s. gestelde, door hen ondervonden beperking in het gebruik van hun perceel is niet onvoorzien en niet zodanig dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van hen kan worden gevergd dat de erfdienstbaarheid zonder wijziging (dus zonder retributie) in stand blijft (artikel 5:78 BW). De vordering is daarmee onvoldoende onderbouwd om voor toewijzing in aanmerking te komen.”

Conclusie

Het hof bekrachtigt de uitspraak van de rechtbank. De inhoud van de uitspraak sluit aan bij de huidige jurisprudentie op het gebied van verjaring. Daarnaast wordt nogmaals duidelijk dat het erg lastig is om een erfdienstbaarheid te laten opheffen. Zelfs als er geen redelijk belang meer is, kan niet zomaar worden aangenomen dat dat redelijk belang niet kan terugkeren.

Mw. K.(Kimberly) van Breugelen

Heeft u vragen naar aanleiding van dit artikel? Neem dan contact met ons op door te mailen naar info@www.metafoorvastgoed.nl of te bellen naar 088 – 00 66 100. Of dien uw vraag in via onze adviesdesk.