Voorpootrecht

Eén van de leuke dingen van het werken bij meerdere opdrachtgevers is dat we al heel veel kennis op hebben kunnen bouwen door de jaren heen. Maar af en toe komen we nog dossiers tegen waar we nog nooit mee te maken hebben gehad. Recent kreeg één van onze adviseurs een casus over de terugverkoop van het voorpootrecht aan een opdrachtgever.

Wat is voorpootrecht?

Een voorpootrecht is een overerfbaar zakelijk recht om bomen langs een weg op een openbaar perceel te bezitten, vellen en te herplanten, waarbij in ruil daarvoor de (zand)weg moet worden onderhouden. Het voorpootrecht heeft betrekking op de bomen tussen de weg en het landgoed, terwijl de andere vorm (overpootrecht) betrekking heeft op bomen aan beide kanten van de weg.

Voorpootrechten zijn oudvaderlandse rechten of heerlijkheidsrechten. Voorpootrechten zijn voornamelijk verleend in Brabant, Limburg en Gelderland. De meeste voorpootrechten dateren uit de 16e en 17e eeuw en zijn nog steeds rechtsgeldig als er een schriftelijke akte kan worden overlegd. Tijdens de invoering van de overgangswet van het oud Burgerlijk Wetboek uit 1838 is vastgelegd dat er geen nieuwe voorpootrechten meer kunnen worden vastgelegd.

Casus

In de casus welke wij hebben behandeld ging het over drie houders (verkopende partij) die hun voorpootrecht voor gezamenlijk 300 bomen wilden terugverkopen aan de gemeente in verband met de aansprakelijkheid. In het geval van schade door bijvoorbeeld takbreuk is de voorpootgerechtigde aansprakelijk en niet de eigenaar van de berm onder de boom.

Het voorpootrecht was echter niet terug te vinden in het Kadaster omdat deze niet kan worden ingeschreven en ook de notaris had dit nooit bij de hand gehad. Dit kan omdat het voorpootrecht niet is omgezet naar erfdienstbaarheid of vruchtgebruik door gebruik te maken van artikel 150 lid 2 van de Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek. Indien dat wel was gedaan, zou het recht ingeschreven kunnen worden bij het Kadaster en zou het recht eenvoudiger worden en niet meer belemmerd worden door oude beperkende voorwaarden als ‘onopzegbaar’ of ‘enkel verervend op de oudste zoon’, die sommige rechten kenmerken. De verkopende partijen van het voorpootrecht (adellijke landgoedeigenaren) hebben dit nooit omgezet, misschien omdat zij meer voordelen zagen in de oude rechten.

Uiteindelijk heeft de verkopende partij ons een akte laten zien waarmee ze het voorpootrecht konden aantonen. Met betrekking tot het voorpootrecht proberen potentiële houders dit vaak te bewijzen door aan te geven dit via de overlevering van (voor)ouders te hebben begrepen. Dit houdt geen stand, maar in dit geval zorgde de akte ervoor dat er werd voldaan aan de bewijslast.

Conclusie

In deze casus heeft de gemeente wel belang bij het afkopen van het voorpootrecht. Het wordt voor de buitendienst gemakkelijker omdat zij door het tenietgaan van het recht alle bomen aan de weg moeten onderhouden in plaats van een deel wel en een deel niet. Voor het overdragen van het voorpootrecht is in deze situatie geen notariële akte benodigd, maar is het genoeg dat de gemeente een afkoopsom betaalt en dat alle partijen schriftelijk verklaren dat hiermee het voorpootrecht teniet is gegaan.

Rianne de Vries, Willemijn Joustra en Jelle Postma